zondag 7 september 2014

Dwarsliggers

Stelletje dwarse pubers!
    Dat ik met ze in één huis woon, valt niet mee. Zo lijken onze gezamenlijke zondagse activiteiten voorbij. Het begon een poosje geleden met af en toe niet mee willen, maar nu heerst er constante afwezigheid bij wandelingen en fietstochten. Steeds vaker zijn Marcel en ik alleen onderweg. Het begint al bijna te wennen, want eigenlijk is het best genieten van samen op weg zijn. Er is meer tijd om up te catchen met elkaar.

Toch mis ik weleens het met elkaar op stap gaan op zondag. Gewoon samen lopen en genieten in de buitenlucht. Contact maken met elkaar. Dan weer loopt zoonlief naast me, dan weer steekt dochterlief een arm door de mijne. Het is een kostbaar goed gebleken, zeker nu het bijna afgelopen lijkt en de middelbare school, vriendjes en vooral computers en smartphones hun intrede hebben gedaan. Waar ik verslaafd raak aan buitenleven, raken zij zichzelf kwijt in binnen hangen.

Op één plek zijn we wel steevast te vinden. Bij onze stamcafétaria, Kwalitaria. We blijven daar dan ook steeds wat langer hangen. Contact is waar het om gaat!
    Zo ook vorige week zondag. Waarom de kinderen dachten dat we daar met de auto naartoe zouden gaan, weet ik niet. Ik zag nergens regen en het was ook vooral niet in aantocht. Hupsakee, laat de benen maar even werken. Niks auto! Stelletje sloomoos.
    Ik huiver voor de dag dat één van de twee een rijbewijs heeft. Met de al geldende belofte dat zodra iemand dat papiertje in de tas heeft, hij of zij ook mijn auto mag gebruiken… Ben ik natuurlijk heel snel en vaak mijn auto kwijt. Had ik nou maar niets beloofd.
    Voor nu geldt: ze hebben hem nog niet! Maar of ze er dan ook nu mee weg hadden gekund?

Blij dat ze nog geen auto kunnen rijden, stapte ik dus het huis uit. De rest volgde en de deur ging dicht. Kwalitaria here we come! Nog amper de voortuin uit, werd er aan me geduwd, getrokken en getild. De kinderen deden een laatste poging met de auto te gaan. Ze hoopten echt op mijn:
    ‘Oké, we gaan met de auto.’
    Wat kennen ze me slecht! Ze zouden toch moeten weten dat als ik zeg: ‘We gaan lopend’, dat ik dan echt bedoel dat we niet met de auto gaan. En maar duwen en trekken… Stiekem genoot ik van mijn donderschatjes. Ze keken als oorwurmen (uitspraak van mijn schoonma). Zucht hier, steun daar, kreun zo. Mompelend tegen elkaar, wenkbrauwen gefronst, mondhoeken zwaar naar beneden, versterkten ze elkaars gevoel van hoe slecht ze het hebben met mij als ouder. En ik dacht: we zijn tenminste samen onderweg.

Dat zou voorlopig ook wel zo blijven, was mijn idee.
‘Hebben jullie eigenlijk een huissleutel mee?’ Er viel een angstige stilte en ik verzucht.
‘Sufkoppen! Ik heb laatst nog gezegd: jullie mogen de deur niet meer uit zonder sleutels.’ Wanneer
zouden ze het leren?
    ‘En wat dan nog?’ Vroeg Celine en keek verward.
    ‘Nou, voordat we vertrokken, hebben papa en ik besloten na het eten gelijk naar het bos te gaan. Je stond erbij en keek ernaar toen we dat zeiden.’
    ‘Maar wij willen niet mee, dat wisten jullie toch?’, haar blik ging richting broer. Hij op zijn beurt knikte hevig  van JA!
    ‘Daarom mijn vraag of één van jullie de huissleutel mee heeft, want anders moeten jullie echt met ons mee. Gezellig hé?’ Benjamin ging ineens dichter bij Celine lopen, als om even samen een plan te bekokstoven. Hun uitdaging: hoe thuis te komen zonder sleutel?
    ‘We kunnen ook in de tuin wachten’, was het slimme antwoord van madam.
    ‘Jullie zouden je nog vermaken ook. Kikkers vangen, struik snoeien. Genoeg te doen toch?’

Nog amper buiten met buiken vol patat, deden de kinderen een laatste poging Marcel en mij naar huis te duwen, maar wij wonnen en gingen onze eigen weg. Ineens waren de kinderen verdwenen en wist ik: zij zijn naar huis. Ik zag ze inderdaad even later in de verte het hoekje om gaan bij het gemeentehuis. Ze waren al half op weg. Prima!

Marcel en ik bereikten al snel het bos. Heerlijk snuiven van frisse lucht en het stille samenzijn… Nou ja, stil? Mijn telefoon gaf met een luide bliep een appje aan.
    Op mijn scherm stond: We zijn thuis!
    Lachend stuurde ik terug: Hopelijk blijft het droog in de tuin! Tot later.
‘Pliep’ klonk uit mijn zak: Geen zorgen! De buren hadden een sleutel.

Hoewel ik blij ben met beide, ging ik heel even meer voor de verre vriend dan een goede buur.